Experimenteren met meerjarige kruidenrijke akkerranden
Zes akkerbouwers zaaien randen in en participeren in het onderzoek naar biodiversiteit in boerenland. De vraag is of deze randen bijdragen aan de biologische plaagdierbestrijding
De pilot is een mooi voorbeeld van de samenwerking in ons gebied tussen boer en natuur. Zes agrariërs namen in 2025 het besluit om meerjarige kruidenrijke akkerranden in te richten. Aan de ene kant zijn deze stroken belangrijk voor de biodiversiteit en het onderzoek dat daaraan verricht wordt. Maar de andere kant zijn de stroken ook bedrijfsmatig interessant. Ze kunnen, mits goed ingericht, onderdeel zijn van biologische plaagdierbestrijding. Dat is voor zowel boer als natuur een win-winsituatie.
Het project is onderdeel van een groter Europees onderzoek naar het belang van inheemse soorten in zadenmengsels voor de biodiversiteit. In onze regio wordt het onderzoek uitgevoerd door de Radboud Universiteit in samenwerking met het Louis Bolk Instituut, Stichting Via Natura en de Ploegdriever.
Bij elk van de agrariërs is in oktober 2025 een akkerrand met verschillende mengsels ingezaaid. De bedoeling is om een bodem bedekkende, meerjarige vegetatie te laten ontstaan. Alle mengsels bestaan uit zowel grassen als kruiden en ze komen van zaadleveranciers die bekend staan om hun aandacht voor inheemse zaadveredeling zoals Biodivers, Cruydthoek en Neutkens.
Op twee bedrijven wordt de rand ingezaaid met één mengsel. Op vier bedrijven ligt een zogenaamde ‘blokkenproef’. Hierin wordt de strook ingedeeld in blokken. Per blok een ander zaadmengsel ingezaaid. Er worden vier mengsels gezaaid en elk mengsel wordt in drie blokken herhaald, zodat er in totaal twaalf blokken naast elkaar liggen.
De randen zijn functioneel voor het agrarisch bedrijf. Ze vormen een buffer tussen het productieperceel en een sloot of bosrand. Bovendien kunnen ze bijdragen aan de functionele agrobiodiversiteit. Dat betekent dat er insecten in de randen kunnen leven die de natuurlijke vijanden van bepaalde plaagsoorten zijn. De larven van zweefvliegen en gaasvliegen eten bijvoorbeeld bladluizen. Zo wordt een strook dus ineens onderdeel van je ‘(non) human resources’. De ene deelnemer wil graag weten wat zo’n rand kan doen tegen de tripsen op zijn zaaiuien, de ander wil weten of de randen zich lenen als kopakker.
De komende twee jaar wordt de ontwikkeling van zowel de planten- als de insectenpopulaties nauwkeurig bijgehouden. Twee keer per jaar is er een veldbijeenkomst op een van de locaties. Zo kunnen boeren en biologen hun opgedane kennis en ervaringen uitwisselen.









